“Opnieuw mysterieuze beeldjes in de stad”

Het projebeeldje hongerend kindject Nachtaarde van Anno Dijkstra vond plaats van 6 Juli t/m 8 October 2012 in enkele straten van de wijken Betondorp in Amsterdam Oost en Buitenveldert in Amsterdam Zuid. Reacties, verhalen en foto’s werden verzameld tussen 15 October en 1 December.

In de Amsterdamse wijken Betondorp en Buitenveldert werden bewoners verrast door beeldjes die gedurende twee maanden met grote regelmaat verschenen op stoepen, muurtjes, naast vuilnisbakken, op elektriciteitkastjes, en in plantsoenen. De beeldjes van gemiddeld twintig centimeter hoogte zijn afbeeldingen van bekende nieuwsfoto’s, beelden die we bijna allemaal wel eens gezien hebben zoals van Ruben, de enige overlevende van de vliegtuigramp in Tripoli, van Theo van Gogh die neergeschoten op straat ligt of Tanja Nijmeijer, de Nederlandse vrouw die lid is van de FARC in Columbia, maar ook beelden van een atoom explosie en van de foto’s van martelingen van Irakese gevangenen in Abu Ghraib door Amerikaanse soldaten. In totaal zijn er meer dan 140 beeldjes met18 afbeeldingen in de wijken achtergelaten. Allen werden meestal binnen enkele dagen door voorbijgangers en omwonenden gevonden en van hun plek verwijderd.

 

Met dit project vraagt de kunstenaar zich af wat het eigenlijk betekent om dagelijks getuige te zijn van de meest gruwelijke gebeurtenissen die over de hele wereld plaats vinden via het afstandelijke oog van de camera en het beeldscherm, maar die we net zo snel weer vervangen door nieuwe beelden. Wat is onze relatie tot deze gebeurtenissen en wat voor plek nemen ze  in onze herinneringen in? Terwijl immateriële mediabeelden de hele wereld rond reizen waarbij de lichamelijkheid van het zien los gemaakt wordt, draait de kunstenaar dit proces om door van dezelfde voorstellingen unieke drie-dimensionale beelden te maken die een fysieke relatie aangaan met een plek en een beschouwer. De sculpturen zijn gemaakt van boetseerklei, een materiaal dat niet hard wordt waardoor het beeld nooit echt af is en het de sporen van het heden steeds weer in zich op blijft nemen. Door ze in de alledaagse leefomgeving van mensen te plaatsen, vind er een directe confrontatie met de beelden plaats, we kunnen eraan voorbij lopen maar ze niet zo maar weg zappen en worden voor de keuze gesteld wat ermee te doen.

Niet alleen met de media beelden wordt een directe fysieke ervaring voorgesteld, maar ook met de kunst. Waar in het museum niets aangeraakt mag worden komen mensen hier oog in oog te staan met sculpturen in hun eigen persoonlijke omgeving waardoor het mogelijk wordt er een persoonlijke relatie toe te ontwikkelen en er verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar wat doe je met een beeldje dat je op straat vindt, ambachtelijk en ‘mooi’ gemaakt maar dat gruwelijke voorstellingen verbeeld, zodat esthetiek en ethiek aan elkaar uitgespeeld worden? En wat gebeurt er in een buurt waar over een periode van weken plotseling mysterieuze beeldjes opduiken? Enkele weken nadat het laatste beeld achtergelaten werd zijn we de wijken ingegaan om de verhalen die zich om deze beeldjes gesponnen hebben te verzamelen en hun nieuwe verblijfplaatsen te achterhalen. Hoe hebben de vinders van de beelden dit ervaren, wat is er met de beelden gebeurd, zijn ze meegenomen, bewaard, stuk gemaakt, of weg gegeven? We verspreidden folders deur aan deur om mensen die de beelden gezien of meegenomen hadden op te roepen met ons in contact te komen, en gingen de wijk in om mensen op straat aan te spreken. Het was opvallend dat de meesten, die wel beelden gespot hadden maar ze hadden laten liggen, gechoqueerd waren te horen dat de beelden meegenomen waren. Men dacht niet in termen van vinden maar van stelen. Voor velen behoorden de beelden en de ervaring ervan tot het publieke domein waar iedereen toegang tot ze kon hebben. Vaak werd er dan spijt geuit, wanneer duidelijk werd dat de beelden meegenomen mochten worden. Ook dachten sommige mensen dat we op zoek waren naar de nieuwe verblijfplaatsen van de beelden om ze terug te vorderen. Dit kunnen redenen geweest zijn dat slechts weinig van de vinders gereageerd hebben. Maar degene die we gesproken hebben reageerde enthousiast en hadden hun beeldje een opvallende plek gegeven in hun huis, op tafel, op een boekenplank, of op de schouw. Er waren mensen die zelfs wekenlang op zoek gegaan waren naar de beelden toen ze door kregen dat er meerderen in de wijk neergezet werden. Voor deze mensen werd het een ware obsessie, elke wandeling in naburige straten werd een speurtocht. Er ontstonden verzamelaars en verzamelingen, bij mensen thuis waar ze temidden van andere beeldjes pronken in vitrinekasten.

 

Hoewel de interpretaties heel divers waren, riepen de confronterende voorstellingen vaak ambigue gevoelens op. Zo was er iemand die een beeldje op 5 verschillende plekken in en rondom het huis neerzette maar uiteindelijk realiseerde dat het een vreemde eend in de bijt bleef, het kon er geen thuis vinden en het beeld werd weer dakloos op straat gezet voor een nieuwe vinder. Een ander was er, na een beeld in het trappenhuis gevonden te hebben, ervan overtuigd dat de buurvrouw zich bezig hield met voodoo praktijken. Ronduit negatieve reacties kwamen er ook, mensen bij wie de beeldjes veel kwaadheid opriepen en die lieten weten ze kapot gemaakt te hebben of in de prullenbak gegooid te hebben.

 

Nachtaarde speelt hier ook mee: het laat verleidelijke en tegelijk moeizaam te consumeren beelden achter in het publieke domein waar kwesties in woord en beeld naar voren gebracht worden in een veld van conflicterende meningen en emoties. In deze krant die in de twee wijken verspreid zal worden hebben we dit samengebracht, de reacties die we vonden op straat en online, niet als een afsluiting maar als een voortdurende dialoog.